fragment uit 'PennenStreken'

 
(Uit hoofdstuk 14)
 
 

Zijn nekharen gingen overeind staan. Het was die kerel, Clive Fowler. Zelfs alleen en ongemaskerd maakte hij een imposante indruk. Wat zou hij willen? Joel bedwong een frons. Misschien kwam Fowler gewoon naar het dorp voor zaken, maar alleen al zijn aanblik zette Joel op scherp.
Zonder Fowler ook maar een moment uit het oog te verliezen, sprak hij tegen zijn metgezel. ‘Je kunt maar beter aan de kant gaan, dame. Deze man kon wel eens foute bedoelingen hebben.’
Een scherpe fluittoon doorboorde de lucht – en zijn trommelvlies. Hij draaide zich om en zag Betsy met twee vingers in haar mond, terwijl ze met haar vrije hand de teugels van zijn paard boven haar hoofd heen en weer zwaaide.
‘Meneer Fowler! Hierzo.’
‘Wat doe je?’ vroeg Joel. ‘Ik hoef geen misdadigers te ontmoeten wanneer ik met een vrouw onderweg ben.’
‘Hij is geen misdadiger. Hij is een burger die zich aan de wet houdt.’ Ze zwaaide opnieuw en Fowler verscheen op het pad voor hen. ‘Of misschien moet ik zeggen een burger die de wet handhaaft, wat zelfs nog beter is.’
Daar dacht hij anders over. Maar deze ontmoeting zou hoe dan ook plaatsvinden, en hij kon maar beter het initiatief nemen voordat hij er het slachtoffer van werd.
‘Meneer Fowler,’ zei hij, zodra zijn vijand binnen gehoorsafstand was, ‘bent u op weg naar het dorp?’
‘Ik ben op weg naar u. Het gaat om mijn vriend, meneer Pritchard. Ik heb gehoord dat je iets hebt dat van hem is.’ Fowler bewoog zich als een trekpaard, langzaam en bewust, maar met een hoop kracht.
Niets wat hij nodig heeft, nu ik hier ben.